Leren zwemmen

maart 2009 131.JPG

Het rijpingsproces van goed en veilig leren zwemmen vraagt rust en geduld en neemt over het algemeen zo'n twee jaar in beslag. Bij het leren zwemmen in en onder water staat de groei in het zelfvertrouwen, de coördinatie tussen hersenen en spieren en het uithoudingsvermogen centraal. Alle drie zijn nodig om de zwemslagen en de vaardigheden onder de knie te krijgen, auto-matisme in de bewegingen te ontwikkelen en een goede, maar bovenal veilige zwemmer te worden.

Wij geven zwemles aan kinderen, zonder en met beperkingen, en hebben de mogelijkheid om in groepsverband kinderen met een beperking die aandacht te geven die nodig is.
DSC_3577_edited.JPG

De leerlingen gaan vanaf de eerste les het diepe water in (1.40 - 2.20 meter), om zo goed mogelijk de eigenschappen van het water te ervaren. Het lichaam krijgt onder water namelijk te maken met zowel de zwaartekracht, die het lichaam naar beneden trekt, als de opwaartse kracht, die het lichaam omhoog duwt. De opwaartse kracht heeft met het volume te maken en is duidelijk voelbaar als men bijvoorbeeld een grote bal onder water probeert te duwen. Hoe verder de bal onder water geduwd wordt, des te groter de kracht omhoog is.

Met dit principe leren wij de leerlingen om te gaan:
*  hoe verder het lichaam onder water gehouden wordt, des te beter men het drijven kan ervaren.
* als bij zwemmen de spieren zich aanspannen neemt het volume af en ervaart men de zwaartekracht (het naar beneden zakken) sterker. 

Ook de temperatuur van het water speelt hierbij een belangrijke factor. In kouder water zullen de spieren zich meer gaan aanspannen. De temperatuur van het water, waarin wij lesgeven, is 34 graden Celsius, zodat een goede ontspanning gedurende drie kwartier mogelijk is. Vanuit het vermogen tot drijven worden vervolgens de zwemslagen ontwikkeld.

In het leerproces tot aan het zelfstandig kunnen zwemmen (bubbel 1 t/m 4) maken wij vanaf bubbel 2 regelmatig gebruik van een kurk als hulpmiddel. In bubbel 1 leren de leerlingen juist zonder kurk de eigenschappen van het water te ontdekken door veel te springen, te drijven en naar de kant te bewegen.

In het begin is "de automaat" van zoveel mogelijk lichaamsdelen onder water te houden nog onvoldoende aanwezig en daardoor wordt de balans in ligging verstoord. De kurk kan meehelpen om die balans makkelijker te verkrijgen en daardoor tijdens het oefenen van de enkelvoudige rugslag (bubbel 2 en 3) en de schoolslag (bubbel 3 en 4) alle aandacht aan de technische uitvoering van de betreffende slag te kunnen geven. Soms kan een kurk ook meehelpen om de juiste, maar nog niet automatische, zwemslagen over een grotere afstand te kunnen herhalen in bubbel 5. Het gebruik van een kurk heeft dus diverse redenen en is niet zwart-wit te onderscheiden in:

met kurk =  niet zelfstandig kunnen zwemmen
en
zonder kurk = zelfstandig kunnen zwemmen 


Klik op zwemles vanaf vijf en een half jaar